Avondmaal
Telkens, als ik deel neem aan het Avondmaal,
wijdt ik mij weer aan U, o Heer.
Ik belijd mijn zonden, U vergeeft ze allemaal,
Steeds weer opnieuw, elke keer weer.
En als het brood dan wordt gebroken,
dan snijdt dat diep, diep in mijn ziel.
Uw lichaam werd voor mij verbroken,
terwijl U nooit in zonde viel.
En drink ik uit de beker wijn,
symbool voor Uw bloed, wat rijk moest vloeien,
dan voel ik steeds een traan van pijn
steeds groter, in mijn ogen gloeien.
Daar sta ik dan, met een dubbel gevoel,
verdrietig, maar ook dankbaar, en blij.
U weet wel Heer, wat ik bedoel.
Want dit alles, deed U ook voor mij!
Wanneer U terugkomt, op de wolken,
’k kan haast niet wachten, op die keer.
Dan zullen eind’lijk alle volken
moeten erkennen; Hij is Heer!